Regionale samenwerking

Categorie: 

Tags: 

Omschrijving: 

Het is zinvol om niet alleen binnen de gemeente na te denken over samenwerking op vlak van cultuurcommunicatie maar ook regionaal, met een aantal aangrenzende gemeenten. Net als bij samenwerking binnen een gemeente kan regionale samenwerking verschillende vormen aannemen. Zo kan er een samenwerking zijn tussen organisaties uit dezelfde sector (bvb. cultuurcentra), tussen organisaties uit verschillende sectoren, tussen gemeenten onderling, al dan niet met rechtstreekse betrokkenheid van cultuurorganisaties, of ook nog tussen cultuur en andere (vrijetijds)sectoren. En dit zowel over afstemming van aanbod als over communicatie en marketing.

In het kader van cultuurcommunicatie in Zone 30 willen we graag de schijnwerpers richten op intergemeentelijke samenwerking, bij voorkeur met betrokkenheid van de cultuuractoren en al dan niet in een breder vrijetijdskader.

  1. Cultuur- en vrijetijdscommunicatie op niveau van een regio is meer dan zinvol. Een deel van de cultuurbeleving speelt zich immers wel af buiten de gemeente, maar grotendeels in een straal van 30 km rond de eigen woonplaats. In de eigen regio dus. Cultuurinformatie op regionaal niveau kan dan ook een stimulans zijn voor de regionale cultuurmobiliteit. Het is ook een service voor de eigen inwoners om ze te informeren of door te verwijzen naar wat er in de directe omgeving te doen is.
     
  2. Veel gemeenten hebben een eerder bescheiden cultuuraanbod. Door structurele samenwerking kan het totaalaanbod vergroot en eventueel versterkt worden. Door samenwerking op vlak van communicatie wordt dit ruimere aanbod bovendien gecommuniceerd naar een ruimer publiek. Er is dus schaalvergroting op twee vlakken, waardoor de slagkracht toeneemt.
     
  3. Het decreet intergemeentelijke samenwerking biedt opportuniteiten om de samenwerking structureel te verankeren. In de praktijk blijkt dit een belangrijke voorwaarde om daadwerkelijk het verschil te kunnen maken op regionaal niveau. Zoniet komt de regionale werking bovenop de gewone dagtaak van de betrokkenen. Vooral voor de coördinatie van de intergemeentelijke samenwerking blijkt dit een heikel punt te zijn.
     
  4. Wat is een zinvolle geografische afbakening voor samenwerking? Re-Creatief Vlaanderen definieert een cultuurregio als "een omgeving rond een (aantal) kerngemeente(n) waar 80% van de participanten aan het cultuuraanbod woont". De ene cultuurregio is echter de andere niet. In veel gevallen is er een overlapping.
     
  5. Het cultuurleven van een regio beperkt zich niet tot wat de betrokken gemeenten zelf organiseren. Alles wat er reilt en zeilt op cultuurvlak heeft een invloed op het culturele imago van de regio. Van de grote cultuurhuizen tot het caféconcert en van het verenigingsleven tot de monumenten. Het 'brede publiek' maakt zelden een onderscheid tussen gemeentelijke, gesubsidieerde en zelfs commerciële organisaties en activiteiten. Dit pleit voor een integrale benadering van het cultuuraanbod en de cultuurcommunicatie op niveau van de regio.
     
  6. Op regionaal niveau is het des te belangrijker om na te gaan wat het totaalaanbod van de regio is. Op een dergelijk overkoepelend niveau en door samenwerking kan immers een goede mix nagestreefd worden, op maat van verschillende publieksgroepen. Verschillende gemeenten kunnen zich specialiseren en profileren met een specifiek aanbod om samen een sterker geheel te bieden. Het adagio is: liever twee keer een vol huis voor twee verschillende activiteiten dan twee keer een magere publieksopkomst. Is er complementariteit of is er (te veel) overlapping? Worden bepaalde doelgroepen niet of te weinig bediend met het bestaande cultuuraanbod? Is de bestaande communicatieaanpak niet te veel toegespitst op steeds dezelfde publieksgroepen? Wie wordt er niet bereikt en kunnen middelen effectiever ingezet worden door de aanpak te heroriënteren?
     
  7. Indien ook een sterker cultureel imago nagestreefd wordt buiten de regio, inclusief het aantrekken van bezoekers van buiten de regio, is het van fundamenteel belang om een externe en interne analyse te maken (SWOT-analyse). Hoe kan de regio zich onderscheiden van omliggende regio's? Wat zijn sterke trekkers in het bestaande cultuuraanbod die verder ontwikkeld of ondersteund kunnen worden?
     
  8. Cultuurbeleidscoördinatoren kunnen niet alleen overleg aansturen binnen de gemeente maar ook daarbuiten. Zij zijn zeer goed geplaatst om het gesprek rond regionale cultuurcommunicatie op gang te trekken.
     
  9. In de schoot van een sectoroverschrijdend overleg kunnen perfect andere vormen van overleg een plaats vinden onder de vorm van specifieke werkgroepen. Bijvoorbeeld een werkgroep kinderen met een vertegenwoordiging van de cultuurorganisaties die voor kinderen werken, de jeugddiensten, de cultuurdiensten, … Daarnaast bijvoorbeeld een werkgroep voor een bepaald evenement. Of een sectorieel overleg tussen alle cultuurcentra of bibliotheken, of de werking van de regionale erfgoedcel. Voordeel is dat ook een overkoepelende, geïntegreerde aanpak mogelijk blijft en informatie uit de werkgroepen kan doorstromen naar anderen.
     
  10. Tegenwoordig worden zogenaamde hoge en lage cultuur veel meer dan vroeger vermengd. Het onderscheid tussen gesubsidieerd en commercieel aanbod en tussen zuiver culturele en andere evenementen is voor het publiek niet altijd scherp te maken. Dit pleit voor het aanbieden van cultuurinformatie in een breder vrijetijdskader. Zo weet het publiek zeker waar het terecht kan voor informatie, ongeacht door wie het aanbod georganiseerd wordt. Bij deze constructie is overleg met andere vrijetijdssectoren noodzakelijk: jeugd, sport, toerisme en eventueel zelfs economie (voor shopping en dergelijke). Maar hoe meer betrokken partijen, hoe ingewikkelder het overleg. Een voorzet vanuit culturele hoek kan echter wel garanderen dat cultuur altijd een centrale plaats blijft innemen, ook al komen er andere partijen bij.